De Flora van Wieringen (Mededeeling No* 14 der Zuiderzeecommissie) DOOR D. A.N. G. Kruseman+Jr. Koopmans-Forstmann, Koopmans, , W.C. de Lütjeharms , Leeuw W.J. , Jan+G.Sloff van Soest en A. van der , J.L. Werff, met Medewerking van: C. Cool(†), M.R.S. Boetje-van+Ruyven, F. Flor- schütz P. A.W. Kloos+Jr. G. W. , Jansen, , Sanders, Schipper Th. Stomps F. Verdoorn enW.H. Wachter , , , onder Redactie van: W.C. de Leeuw Soest en J.L. van . Inhoud. Biz. 1. Inleiding door W. C. de Leeuw 221 11 Algemeene Beschouwingen 221 12 Topographie 222 13 Bodem 225 14 Hydrographie 235 15 Klimaat 244 16 Floristisch Onderzoek 245 17 Literatuur 247 2. Systematisch overzicht der Flora 249 21 Algae door A. van der Werff 249 22 Fungi door W. J. Lütjeharms 291 23 Lichenes (determinaties van F. Florschütz) 292 24 Musci en Hepaticae door D. Koopmans-Forstmann, A. N. Koopmans en J. L. van Soest 294 25 Pteridophyta en Phanerogamae door J. L. van Soest 308 3. Vegetatie van Wieringen door W. C. de Leeuw en J. L. van Soest 356 31 Floristisch-statistische Bijzonderheden 356 32 Regionale Indeeling 375 221 Biz. 321 Elementen en Subelementen in ruimeren zin 375 322 Elementen der Nederlandsche Floradistricten 378 323 Floristisch-geographische Positie van Wie- ringen 380 33 Verspreiding der Flora.. 390 331 Floristische Cartographie 390 332 Tegenstellingen in de Verspreiding der Flora 391 333 De Flora van bijzondere Standplaatsen.... 406 333.1 Ruderale Plaatsen 407 333.2 Akkers..... 407 333.3 Graslanden 410 333.4 Eendenkooien.. 411 333.5 Schapenwallen 415 333.6 Wierdijken 417 34 Veranderingen der Flora 419 4. Het Wieringer Landschap 422 41 Het oude land van Wieringen: De Zuiderzeewerken; tuinen daarbuiten verwilderde De en planten door W. C. de Leeuw en J. L. van Soest 422 42 De Waard-Nieuwlandpolder door G. Kruseman Jr. en J. L. van Soest. 428 43 De Buitengronden van Wieringen door J. G. Sloff 430 5. Resumé (Engelsch) 445 1. Inleiding. 11. Algemeene beschouwingen. Toen in het van 1927 de nieuw vroege voorjaar opge- richte Zuiderzee-Commissie haar programma moest gaan opmaken en als eerste taak de inventarisatie van de hui- dige kust en der eilanden van het Zuiderzeegebied als van zelf vond aangewezen, lag het voor de hand, dat Wieringen, waar de werkzaamheden der afsluiting zich reeds konden doen gelden, het allereerst in onderzoek Dit is in de genomen werd. onderzoek jaren 1927, 1928 en 1930 door een groot aantal medewerkers tot zulk een mate van volledigheid opgevoerd, dat het samenvattend rapport daarover goed recht op den gebruikten titel: 222 „De flora van Wieringen” kan doen gelden. Dat dit gunstige resultaat werd bereikt, is zeker in niet geringe mate te danken aan de bekoring, die er van dit, tot zeer en eiland onlangs nog zoo eenzame oorspronkelijke uitging. De samenstellers van dit verslag achten zich gelukkig, dat zij voor later tijden van het floristisch karakter van dit oude land een denkbeeld van „hoe het was" hebben kunnen ontwerpen en herdenken erkentelijk den geest van goede samenwerking, die allen, die daartoe hebben mede- gewerkt, de waarnemers in het veld en de specialisten te huis, heeft bezield. 12. Topographische gegevens. Wieringen (Stafkaart 1 : 25000, bladen 194, 176; Geolo- gische Kaart, blad Medemblik II; Plantenkaartjes K 4, 25 uurhokjes 15, 16, 17, en 26) heeft een oppervlakte van ca. 2506 ha (Centraal Bureau voor Statistiek) en is daar- is door het grootste Zuiderzee-eiland (Urk 81 ha). Het dan ook hemelsbreed km breedst ca. 9% lang en op zijn ca. 3% km. De lengte-as loopt N.O.—Z.W., wat aan de strekking van landschapsvormen uit het Friesch—Drentsch diluvium herinnert. Voor een aanzienlijk deel verheft de oppervlakte van het eiland zich tamelijk ver boven den zeespiegel. De kerk bij Westerland, die op een der hoogste punten staat, ligt zelfs 12.55 m boven N.A.P. Schuiling geeft in „Wieringen nu" Kon. Ned. Aardr. Genootsch. vroeger en (Tijdschrift 2e 44 ser. deel (1927) p. 484) op, dat enkele punten in de omgeving der kerk nog hooger liggen. Het het eiland hooggelegen gedeelte van vormt geen aaneengesloten geheel. Op het kaartje van Schuiling uit de reeds genoemde verhandeling (dat wij hierbij met bijzondere erkentelijkheid onder goedkeuring van den stelt auteur en de redactie van het Tijdschrift afdrukken) diluviale is het gestippelde gebied de terreinen voor. Dit WIERINGEN SITUATIE Fig. 1, 224 identiek zonder ongeveer met datgene, wat kunstmatige be- scherming permanent boven water zou zijn. Het vormt, zooals Oosten te zien is, geen aaneengesloten gebied; ten van de hoofdkern bevinden zich twee kleinere kernen, welke door zacht glooiende laagten zijn verbonden.Die tusschen Stroe 0.85 en Oosterland ligt diep: m -j- A.P., zoodat dit deel be- scherming noodig heeft, waartoe allereerst de Bierdijk tusschen Stroe en Oosterland en de Molgerdijk tusschen Oosterland de Gest Geest en (vergel. en Gaast) geroepen zijn. Behalve de drie reeds besproken kernen bevinden zich in het Zuiden twee kleine geïsoleerde kernen, vroeger althans tijdelijk eilandjes: de Kliever—Steeërkaap en de Haukes (de laatste is op op de schets ten onrechte met de achterliggende hoofdkern verbonden). Het land achter de Haukes vormt een tweetal „koogen”: de Westerlander- en de Hoelemerpolder, door een inlaag- dijkje van de Haukes naar de hoofdkern van elkaar ge- scheiden. De koog door de Kliever—Steeërkaap beschermd, wordt Hipolitushoeverpolder genoemd. Deze is in het N.W. bij de Westhoeve door een kade tusschen den ouden zeedijk het de en hoogere gebied bij Elft van den Stroeër- en Ooster- landerpolder gescheiden, terwijl de laagte rond de Gest als Gester- en Oeverpolder bekend staat. Ten Noorden van den Stroeër- en Oostlanderpolder tusschen Stroe en Oosterland ligt het Bierdijkerveld, van den eërste gescheiden door een inlaagdijk — eertijds het gevaarlijkste punt voor over- stroomingen en blijkbaar onvoldoende beschermd, zooals bij verschillende stormvloeden (o.a. 1776 en 1825) bleek. De Zuidzijde van Wieringen, van Westerland tot Den Oever, werd met uitzondering der plaatsen, waar het diluvium kliffen vormt, reeds sedert den aanvang der zestiende eeuw door dijken verdedigd. Deze dijken bestaan — evenals de de — uit vroeger dijken aan Noordzijde opgestapeld marina L. „zeewier”: Zostera (zie pag. 443). Sinds 1846 wordt in het Zuid-Oosten de lage Stroeër- 225 en Oosterlanderpolder door den Waard-Nieuwlandpolder beschermd, een terrein van ca. 400 ha, dat reeds eertijds bedijkt was en in 1683 tijdelijk verloren ging (Allan, Lit.-lijst No. 1). Het Buitenveld of Normerven, een ca. 20 ha metend voorterrein aan de Noordkust bij De Normer (K 4, 15, 43 1849 42, en 44) in ingedijkt, heeft men in verband met de versterking van Wieringens Noordkust en teneinde een vloeiend verloop van het dijklichaam te verkrijgen, in 1921 opgeofferd. De bodem van Wieringen wordt bijna geheel voor cultuurdoeleinden gebruikt. Deze beperken zich tot land- bouw en veeteelt (schapen). De eerste vindt men alleen op het hooge deel en in den Waard-Nieuwlandpolder ziet (vergelijk pag. 422 en 428). Boomen zijn schaarsch; men ze alleen in de omgeving der woonkernen bij het drietal eendenkooien en in een boschje langs den Stroeërkoogweg. Vruchtenteelt beperkt zich tot die voor eigen behoeften. De afscheiding der landerijen geschiedt in het lagere deel door slooten, in het hoogere door walletjes van gestapelde zoden, die zich door hun flora sterk van hun omgeving onderscheiden (pag. 415). 13. Bodem. Geologisch is Wieringen een merkwaardig eiland (ver- gelijk Geol. Kaart van Nederland, blad Medemblik, kwartblad 2). In vele opzichten herinneren de toestanden hier aan Vollenhove. De kernen bestaan uit pleistoceen materiaal en wel uit de grondmoraine van den pleisto- cenen gletscher van „onzen” ijstijd (Riss-periode), welke een leemige facies vertoont (keileem) en waarop een Zandig-leemige deklaag ligt. De Z.W.—N.O. richting van de kern houdt vermoedelijk verband met de bewegings- richting van den gletscher; men wil in het Wieringer zien. massief evenals in Gaasterland wel eens een „drumlin” Nedcrl. Kruidk. Archief 1931. 15 226 Aan de komt de keileem hoewel oppervlakte nergens, bij graafwerk etc. ontsluitingen ontstaan (zie Schuiling l.c. afb. I naast p. 494). Waar de moraine door de werking van het materiaal golfslag erodeert, hoopt zich ingesloten op: b.v. bij Lutkeland, het Woudstrand en Stroe, waar het materiaal zandige strand (welks op de geologische kaart I 14 als z is aangeduid) bedekt is met rolsteenen, die voor een groot gedeelte Fenno-Scandinavisch van oorsprong zijn (zie afb. 21). Het Woudstrand is thans door den aanleg den nieuwen den van beschermingsdijk, z.g. Normerdijk, blijvend van het voorland (Breehorn) gescheiden. Aangaande den petrographischen aard van de deklaag doen zich dezelfde mogelijkheden als bij Vollenhove voor: de zandige verweeringsproducten van keileem of fluvio- glaciaal materiaal en rijst tevens weer de vraag naar een mogelijk verband tusschen den aard van deze deklaag en haar vegetatie. Zooals in het rapport over Vollenhove uiteengezet is, valt het moeilijk in verband met deze vegetatie de deklaag aldaar petrographisch op één lijn met het fluvioglaciale, terreinen stellen resp. postglaciale zand van Oostelijker te ook en hetzelfde bezwaar geldt nu voor Wieringen. Cultuur sterk die Vollenhove en vegetatie gelijken op van en de flora, kenmerkend voor sterk uitgeloogde oligotrophe ontbreekt zooals 377 389 terreinen, op Wieringen, op pag. en wordt eenenmale dus toegelicht, ten en op nog sprekender dan Vollenhove. in het het wijze op Gelijk rapport over laatste beschreven (Mededeelingen dezer Commissie No. 6, komen daar de kern althans aantal pag. 84) op nog een planten van oligotrophe zandgronden, zij het in mindere mate dan terreinen Aira op oostelijker fluvioglaciale voor ( caespitosa, Arnoseris minima, Avena caryophyllea, Corydalis claviculata, Epilobium angustifolium, Festuca ovina, Gnapha- lium silvaticum, Hypericum humifusum, Jasione montana, Molinia coerulea, Potentilla Tormentilla, Sarothamnus sco- 227 Viola tricolor Deze onbreken alle parius, vulgaris).
Details
-
File Typepdf
-
Upload Time-
-
Content LanguagesEnglish
-
Upload UserAnonymous/Not logged-in
-
File Pages233 Page
-
File Size-