Het land van Erasmus J. Trapman bron J. Trapman, Het land van Erasmus. Uitgeverij Balans, Amsterdam 1999 Zie voor verantwoording: http://www.dbnl.org/tekst/trap009land01_01/colofon.php Let op: werken die korter dan 140 jaar geleden verschenen zijn, kunnen auteursrechtelijk beschermd zijn. 7 Inleiding Beschouwingen over het Nederlandse volkskarakter - om een titel van Jan Romein te citeren - hebben altijd iets onbevredigends. De veronderstelde kenmerken van de Nederlanders, en welk volk dan ook, zijn vaak onderling tegenstrijdig, of zo algemeen dat ze niet bijdragen tot een beter begrip. Termen als volkskarakter of volksaard, om van volkseigen maar te zwijgen, zijn uit de gratie, misschien omdat ze in deze eeuw op velerlei wijze misbruikt zijn. Maar we spreken wel zonder bezwaar - en met een goed geweten - over de Nederlandse cultuur of identiteit; als het moet ook over het verdedigen van onze identiteit, wanneer deze bedreigd geacht wordt door verschijnselen als ‘amerikanisering’. Tot de erflaters van de Nederlandse beschaving behoort zeker Erasmus. Hij is een Rotterdams, maar evengoed een nationaal symbool, een ikoon zo men wil. Maar waar staat hij eigenlijk voor? De belangrijkste Nederlandse culturele prijs is naar Erasmus genoemd, en daar moet een reden voor zijn. De voor de prijs verantwoordelijke Stichting Praemium Erasmianum noemt in haar statuten als doel van de organisatie uitgaande van de culturele tradities van Europa in het algemeen, en van het gedachtegoed van Erasmus in het bijzonder, de positie van de geestes- en maatschappijwetenschappen en van de kunsten te versterken, alsmede haar maatschappelijke erkenning te bevorderen. Hierbij staan tolerantie, culturele veelvormigheid en ondogmatisch kritisch denken centraal. J. Trapman, Het land van Erasmus 8 Wat men ook over Erasmus denkt (of niet denkt), zijn naam wordt blijkbaar algemeen geassocieerd met tolerantie, ondogmatisch kritisch denken, en begrip voor culturele veelvormigheid. Wij willen ons als Nederlanders met het erasmiaanse gedachtegoed identificeren. Tegenover het buitenland kunnen we met Erasmus voor de dag komen. Een officiële redevoering waarin hij niet verschijnt, al is het maar even, is incompleet. Zijn er geen tegenstemmen? Een generatie geleden, in 1969, vond de première plaats van de opera Reconstructie. In dat jaar werd op grootse wijze Erasmus' vijfhonderdste geboortedag herdacht. De makers van de opera (Louis Andriessen, Hugo Claus, Reinbert de Leeuw, Misha Mengelberg, Harry Mulisch, Peter Schat, Jan van Vlijmen) wensten niet in de feestvreugde te delen. Zij maakten geen geheim van hun bewondering voor de Cubaanse revolutie en lieten Erasmus in de opera optreden als symbool van burgerlijke lafheid, als de man die ‘weigerde te kiezen toen er gekozen moest worden’. Eeuwenlang hebben orthodoxe protestanten zich om een vergelijkbare reden tegen Erasmus gekeerd: zijn hervormingsgezinde denkbeelden hadden hem als hij consequent en moedig geweest was buiten de katholieke kerk moeten voeren. Anderzijds was Erasmus de katholieken weer niet katholiek genoeg. Pas na het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) zijn de bezwaren van die zijde vrijwel verstomd. Over Erasmus' ‘weigering te kiezen’ wordt tegenwoordig, nu de aantrekkingskracht van de grote ideologieën sterk verminderd is, milder geoordeeld; meer in de geest van Marguerite Yourcenar, die Erasmus prees omdat hij tussen katholieke kerk en reformatie ‘een bewonderenswaardig evenwicht’ had gehandhaafd. Yourcenar deed deze uitspraak in een interview dat verscheen in NRC-Handelsblad van 21 oktober 1983 naar aanleiding van het feit dat haar in dat jaar de Erasmusprijs was toegekend. Haar mede-laureaten waren Raymond Aron, Isaiah Berlin en Leszek Kolakowski. J. Trapman, Het land van Erasmus 9 Bezwaren tegen Erasmus hoeven niet altijd voort te komen uit morele en religieuze motieven; ook esthetische kunnen een rol spelen. In het fin de siècle verheugde Alphons Diepenbrock zich met anderen over de herleefde belangstelling voor de mystiek, muziek, kunst en literatuur van de middeleeuwen, ‘nu ook de geestloos gewordene geest van Erasmus niet alléén meer spreekt in dit vochtige land’. Erasmus is hier symbool van een humanisme dat volgens Diepenbrock al na een eeuw verzand was in dor en schools klassicisme. Het ‘mystieke Latijn’ van de middeleeuwen, door humanisten als decadent en barbaars beschouwd, was daarentegen nog levend en inspirerend. Zo kon de Vondelkenner C.R. de Klerk in 1906 een tegenstelling construeren tussen erasmiaanse geest en ‘modern kunstbegrip’. Het laatste had gevoel voor Augustinus, Dante, Maerlant en Thomas a Kempis; bij hen vergeleken scheen Erasmus ouderwets. Dergelijke kritische geluiden zullen altijd blijven klinken. Telkens opnieuw zal Erasmus beoordeeld worden als iemand die ethisch, religieus of literair te weinig gepassioneerd is. Maar ook degenen die Erasmus afwijzen, of simpelweg negeren omdat ze in een geheel ander geestelijk klimaat leven, maken deel uit van de Nederlandse cultuur. Aan hen wordt in deze bundel ruime aandacht geschonken. Het ‘land van Erasmus’ is tegelijkertijd het land van hen die met Diepenbrock menen dat zijn geest ‘geestloos’ geworden is. Deze bundel bestaat uit drie delen. Het eerste is gewijd aan Erasmus en Hugo de Groot (Grotius), Nederlands beroemdste vertegenwoordigers van wat men het christelijk humanisme pleegt te noemen: de synthese van klassieke cultuur, bijbel en kerkvaders. In het oudste Nederlandse verboden boek, de Summa der godliker scrifturen (1523), is invloed van zowel Erasmus als Luther aanwijsbaar. Twee jaar daarvoor verscheen een satirisch geschrift, waarin de dominicanen het moeten ontgelden, en Luther geacht wordt een hervormingsprogramma uit te voeren dat in feite erasmiaans van aard blijkt te zijn. J. Trapman, Het land van Erasmus 10 Grotius, die zich overigens niet met deze vroege periode bezig hield, kende Erasmus in de ontwikkeling van de Nederlandse reformatie een belangrijke rol toe. Het calvinisme zag hij als een plant van vreemde bodem. Hij beschouwde Erasmus als de vader van het godsdienstig irenisme, al citeert hij zijn illustere voorganger minder dan men zou verwachten. Het tweede deel betreft het tijdvak rond 1900. Het opent met een stuk over de ontvangst van Remy de Gourmonts Le Latin mystique in Nederland. Dit boek maakte niet alleen indruk op kunstenaars als Diepenbrock, maar ook op de toekomstige historicus Huizinga. Zijn voorkeur voor Thomas a Kempis' Imitatio Christi boven Erasmus' Enchiridion kan hiervan de nawerking zijn. Diepenbrocks vriend Andrew de Graaf, afkomstig uit de sfeer van het Réveil en een neef van Allard Pierson, werd als student gegrepen door de idealen van De Nieuwe Gids, waarin hij incidenteel ook publiceerde. Na een geestelijke crisis maakte hij zich mede onder invloed van lectuur van Ruusbroec los van zijn ‘kunstgodsdienst’ en ging hij zich, geheel in de traditie van het Réveil, wijden aan christelijk-filantropisch werk. De Amsterdamse Mr. A. de Graafstichting, die zich bezighoudt met onderzoek, documentatie en voorlichting op het gebied van de prostitutie is naar hem genoemd, maar deelt zijn uitgangspunten niet langer. Ten slotte wordt de vertaling besproken die Willem Kloos maakte van de Imitatio Christi, een boek dat de dichter omschreef als een ‘letterkundig gedachte-kunstwerk’ zonder enige strekking. De vertaling wekte veel bewondering. De literair geïnteresseerde theoloog Isaäk van Dijk liet in een model-kritiek zien dat de vertaling veel zwakke plekken vertoonde en dat Kloos bovendien het Latijn vaak niet had begrepen. In het derde deel staan modern humanisme en humanitair idealisme in het middelpunt. Het gebruik van de term humanisme in de zin van niet-religieuze levensbeschouwing dateert van de tweede helft van de negentiende eeuw. Allard J. Trapman, Het land van Erasmus 11 Pierson, die in 1865 zijn predikantschap had neergelegd, koos uiteindelijk voor het humanisme en omschreef zijn latere levensovertuiging als een ‘van kunstzin doortrokken agnosticisme’. Van 1877-1895 was hij hoogleraar in de esthetica, kunstgeschiedenis en moderne talen te Amsterdam. Zijn naam leeft daar voort in het Allard Pierson Museum. Een vooraanstaand vertegenwoordiger van het naoorlogse humanisme en de vrijdenkersbeweging was de publicist Oene Noordenbos, een van de oprichters van de voormalige Pacifistisch-Socialistische Partij (PSP; later opgegaan in Groen Links). Hij was in 1931 te Leiden in de theologie gepromoveerd op een nog steeds waardevol proefschrift over het atheïsme in Nederland, en bleef zich in zijn latere leven mede met theologische onderwerpen bezighouden. Hij publiceerde veel over Erasmus en deed daarbij niets af aan het christelijk karakter van diens humanisme. Voor Noordenbos lag de historische betekenis van het christelijk humanisme in zijn bijdrage aan de ontwikkeling van het begrip menselijke waardigheid. Ter afsluiting wordt de veelzijdige medicus en internationalist P.H. Eijkman ten tonele gevoerd. Daarmee keren we terug naar het begin van deze eeuw. Eijkmans ideaal was de stichting van een wereldhoofdstad in Den Haag, waarvoor hij de architect De Bazel een ontwerp liet maken. Het plan, dat ook buiten Nederland de aandacht trok, voorzag in drie internationale academies en een arbeiderstuinstad; in het hart van de stad moest het Vredespaleis verrijzen als zetel van het in 1899 gestichte Permanente Hof van Arbitrage. De grootse plannen leden schipbreuk en Eijkmans streven om internationale organisaties ertoe te bewegen zich in Den Haag te vestigen had evenmin veel succes. Brussel
Details
-
File Typepdf
-
Upload Time-
-
Content LanguagesEnglish
-
Upload UserAnonymous/Not logged-in
-
File Pages174 Page
-
File Size-